Minister van Mobiliteit komt met aanpak uitrol laadpaalinfrastructuur
Vlaams minister van Mobiliteit Lydia Peeters trekt 30 miljoen euro uit voor 30.000 extra laadequivalenten (CPE) voor publieke laadinfrastructuur tegen 2025. In het kader van deze doelstelling keurde de Vlaamse regering de conceptnota voor de uitrol van laadinfrastructuur in de periode 2021-2025 goed. “De omschakeling naar zero-emissievoertuigen is een absoluut streefdoel als we de klimaatdoelstellingen willen halen", aldus Lydia Peeters. Ook het aantal laadpunten per locatie wordt opgetrokken. Zo komt er langs de grote Vlaamse verkeersassen elke 25 km snellaadinfrastructuur en op strategische locaties bij of in steden. De uitrol van publieke laadinfrastructuur wordt zo goed mogelijk afgestemd op het actuele aantal elektrische voertuigen, met een combinatie van normale en (ultra)snelladers. In september 2020 was 17 procent van alle verkochte nieuwe wagens op de Belgische markt elektrisch of hybride.
Op dit moment telt Vlaanderen 3.920 publieke laadpunten (≤ 23 kW) en 96 publieke snellaadpunten (> 23 kW). Minister Lydia Peeters streeft ernaar om 30.000 extra CPE uit te rollen tegen 2025. “De doelstelling van het aantal publieke laadpunten drukken we uit in Charge Point Equivalent (CPE), omdat de ene laadpaal niet meer dezelfde is als de andere. De huidige laadpalen verschillen in laadvermogen, en dit zal in de toekomst nog toenemen. Een laadpaal met een beperkt vermogen (3-7 kW) komt overeen met 1CPE, bij een laadpaal met een hoger vermogen (11-22 kW) zijn dat 2CPE. Laadpunten die slechts 10 uur per dag toegankelijk zijn voor iedereen tellen voor de helft mee in dit CPE. Daarmee hanteren we dezelfde telling als Europa”, aldus Lydia Peeters.
De procedure om een publieke laadpaal te plaatsen neemt veel tijd in beslag en moet korter. Minister Peeters wil ten eerste tijd winnen door vooraf de locaties in kaart te brengen waar een vlotte uitrol de komende jaren prioritair kan plaatsvinden. Een tweede verbeterpunt is de betrokkenheid van de laadpaaloperatoren waarbij deze sneller in het plaatsingsproces betrokken kunnen worden, om discussies over locaties in een latere fase te vermijden. Tot slot kan er tijdswinst geboekt worden door verder werk te maken van een eenvormige aanpak op het beslissingsniveau.