Wat werkplaatsen kunnen leren van Noorwegen
Elektrificatie verandert de inkomsten en de organisatie van werkplaatsen. Tijdens AfterSales Connect van TRAXIO en EDUCAM boden de Noorse ervaringen concrete aanknopingspunten voor Belgische garages. Thomas Chieux van ICDP en Knut Martin Breivik van NBF belichtten de gevolgen voor onderhoudsomzet, klantenbinding en rendabiliteit. Hun analyses toonden waarom de aanpassing verder gaat dan investeren in technische kennis en uitrusting.
AfterSales Connect bracht sector samen
TRAXIO en EDUCAM organiseerden op 22 oktober 2026 AfterSales Connect in Dolce La Hulpe Brussels in Terhulpen. Belgische en internationale experts behandelden er de gevolgen van elektrificatie voor automotive aftersales: van marktontwikkelingen en rendabiliteit tot klantenverwachtingen en de competenties van medewerkers.
TRAXIO opende met een overzicht van de Belgische en Europese automarkt. Vervolgens gingen Thomas Chieux van onderzoeksorganisatie ICDP en Knut Martin Breivik van de Noorse automobielfederatie NBF dieper in op de gevolgen voor onderhouds- en herstelbedrijven. Noorwegen bood daarbij een praktijkvoorbeeld van een markt waar elektrische voertuigen al veel sterker vertegenwoordigd zijn.
In het namiddagprogramma behandelde EDUCAM de veranderende competentiebehoeften bij leidinggevenden, medewerkers met klantencontact en technici. Ook de voorbereiding van toekomstige vakmensen via het onderwijs kwam aan bod.
TRAXIO schetste de Belgische overgang
Stefaan Lampaert en Thomas Murphy van TRAXIO brachten de elektrificatie van personenwagens, bestelwagens en vrachtwagens in kaart. Ze maakten onderscheid tussen nieuwe en tweedehandsinschrijvingen, het bestaande wagenpark en verschillende eigenaarsgroepen.
Voor werkplaatsen is vooral het verschil tussen nieuwverkoop en wagenpark belangrijk. Tijdens de eerste negen maanden van 2026 was ongeveer 39% van de nieuw ingeschreven Belgische personenwagens volledig elektrisch. Begin augustus telde het bestaande wagenpark 544.517 volledig elektrische personenwagens, goed voor 8,8% van het totaal.
De nieuwmarkt elektrificeert dus sneller dan het wagenpark. Garages moeten elektrische expertise opbouwen, terwijl voertuigen met een verbrandingsmotor een belangrijk deel van hun onderhouds- en herstelactiviteiten blijven bepalen.
Ook tussen voertuigcategorieën bestaan verschillen. Bij nieuwe Belgische bestelwagens bedroeg het gezamenlijke aandeel van volledig elektrische voertuigen en plug-inhybrides in 2025 6,8%, tegenover 11,2% in de Europese Unie.
Ruim een derde oplaadbaar in 2030?
TRAXIO presenteerde vooruitzichten voor zowel de nieuwmarkt als het bestaande wagenpark. Een Dataforce-prognose raamde het volledig elektrische aandeel in de nieuwe personenwageninschrijvingen op 52% in 2028.
Voor 2030 vermeldde de presentatie ramingen uit het Belgische nationale beleidskader voor infrastructuur voor alternatieve brandstoffen: 1,93 miljoen volledig elektrische personenwagens en 410.000 plug-inhybrides.
Bij een verondersteld totaal van 6,41 miljoen personenwagens komt dat indicatief neer op respectievelijk 30,1% en 6,4%. Samen zouden oplaadbare auto’s daarmee ongeveer 36,5% van het wagenpark vertegenwoordigen. Die percentages zijn berekend op basis van een aanname over de toekomstige omvang van het wagenpark.
Minder omzet bij officiële dealers
In Noorwegen zijn de gevolgen van elektrificatie al duidelijker zichtbaar. In september 2026 was 97,9% van de nieuw ingeschreven personenwagens er volledig elektrisch. De door ICDP en NBF voorgestelde Noorse survey betrof uitsluitend officiële dealers.
Voor door klanten betaalde werkplaatsorders bedroeg de gemiddelde omzet per elektrische auto in 2024 ongeveer 300 euro, tegenover 515 euro voor een auto met verbrandingsmotor. Dat is een verschil van ongeveer 42%.
De omzet uit verkochte arbeidsuren lag circa 31% lager. Voor onderdelen en vloeistoffen samen bedroeg de daling ongeveer 50%. Het wegvallen van klassieke onderhoudsproducten, zoals motorolie en oliefilters, speelt daarin een belangrijke rol.
Die vergelijking betekent geen omzetdaling van 42% voor een volledig dealerbedrijf. Ze beschrijft evenmin de situatie van onafhankelijke garages of de Belgische markt. Ze toont wel hoe de inkomsten per voertuig kunnen veranderen wanneer elektrische auto’s een groter aandeel van het klantenbestand uitmaken.
Garantie bood tijdelijk tegengewicht
Bij Noorse dealers werd de lagere vraag naar betaald onderhoud aanvankelijk gedeeltelijk opgevangen door garantie- en terugroepwerkzaamheden. Kwaliteitsproblemen bij eerdere elektrische modellen leverden bijkomende opdrachten op en gaven bedrijven tijd om zich aan te passen.
Die tijdelijke compensatie neemt volgens de sprekers af. Andere landen kunnen bovendien met technisch rijpere elektrische modellen aan hun overgang beginnen, waardoor vergelijkbare volumes garantiewerk mogelijk uitblijven.
Een volle planning vertelt daardoor niet het hele verhaal. Ook de verhouding tussen garantieopdrachten en door klanten betaald werk verdient aandacht.
In interviews met Noorse dealers kwamen bovendien de kosten aan bod. Opleidingen, specifieke uitrusting en hogere lonen voor gespecialiseerde technici wegen op de marges. Sommige dure herstellingen blijken moeilijk volledig aan klanten door te rekenen. Een lagere onderhoudsomzet gaat dus niet vanzelf gepaard met evenredig lagere bedrijfskosten.
"Minder onderhoudsomzet gaat niet vanzelf gepaard met lagere bedrijfskosten"
Oudere EV’s vragen ook herstellingen
Minder periodiek onderhoud betekent niet dat elektrische auto’s op latere leeftijd nauwelijks herstelwerk nodig hebben. NBF illustreerde dat met Noorse keuringsgegevens over 2025.
Bij tien jaar oude volledig elektrische auto’s bedroeg het afkeuringspercentage ongeveer 60%, tegenover 40% bij auto’s met verbrandingsmotor en hybrides. Deze keuringsgegevens staan los van de dealerbevraging.
De presentatie wees ook op mechanische gebreken bij afgekeurde elektrische voertuigen. Bij remmen vormt corrosie een aandachtspunt: doordat de elektromotor bij het vertragen energie terugwint, worden de wrijvingsremmen minder gebruikt.
De Noorse cijfers mogen niet rechtstreeks naar Belgische keuringsresultaten worden vertaald. Ze onderstrepen wel dat ook elektrische auto’s mechanische controles en herstellingen nodig blijven hebben naarmate ze ouder worden.
Meer voertuigen vraagt meer organisatie
Een van de Noorse leerpunten is dat werkplaatsen meer voertuigen per dag moeten kunnen verwerken om een lagere omzet per auto op te vangen.
Dat heeft gevolgen voor de volledige organisatie. Meer afzonderlijke opdrachten betekenen meer afspraken, klantencontacten en administratieve handelingen. NBF wees ook op de behoefte aan meer parkeerplaatsen.
Alleen de capaciteit van de technici verhogen, volstaat daardoor niet. Ontvangst, planning en voertuigdoorstroming moeten het grotere aantal opdrachten eveneens aankunnen.
ICDP en NBF noemden daarnaast de prijszetting als een van de mogelijkheden om de inkomsten te ondersteunen. Meer voertuigen verwerken, aangepaste tarieven en een breder dienstenaanbod kwamen daarbij als aanvullende maatregelen naar voren.
Klanten behouden na de garantie
NBF signaleerde dat sommige eigenaars onderhoud na afloop van de garantie niet langer als noodzakelijk beschouwen. Werkplaatsen moeten daarom actief duidelijk maken welke controles en diensten relevant blijven.
Gerichte klantenopvolging, aangepaste onderhoudsaanbiedingen en een systematisch beheer van het klantenbestand kunnen de relatie met de werkplaats ondersteunen. Bij tweedehandswagens noemden de sprekers ook onderhoudspakketten en verlengde garanties.
Daarnaast zoeken Noorse dealers klanten buiten hun oorspronkelijke werkterrein. Ze bedienen meerdere merken of combineren hun merkgebonden activiteiten met een formule voor onafhankelijke herstelling.
Voor merkonafhankelijke garages is die brede aanpak vaak al dagelijkse praktijk. NBF merkte op dat onafhankelijke spelers zich snel aanpassen en daarbij minder worden afgeleid door grote volumes garantiewerk.
Oudere auto’s winnen aan belang
Naast de Noorse praktijkervaringen presenteerde ICDP simulaties voor de Europese onderhouds- en herstelmarkt. Die modelberekeningen staan los van de dealerbevraging en verwerken onder meer de omvang en leeftijd van het wagenpark, het voertuiggebruik en de ontwikkeling van prijzen.
In de onderzochte scenario’s komt het aantal werkzaamheden aan auto’s van vijf tot twaalf jaar onder druk te staan. Bij voertuigen ouder dan twaalf jaar groeit de vraag. Die verschuiving hangt samen met de volledige ontwikkeling van het wagenpark, niet uitsluitend met elektrificatie.
Dat raakt zowel merkgebonden als onafhankelijke bedrijven. Vooral garages die sterk op het segment van vijf tot twaalf jaar steunen, moeten die ontwikkeling opvolgen. Bij oudere voertuigen ziet ICDP mogelijkheden voor betaalbare herstellingen en aanbieders van hergebruikte onderdelen.
De simulaties tonen bovendien dat omzet en werkvolume verschillend kunnen evolueren. Hogere arbeids- en onderdelenprijzen kunnen een deel van een dalend aantal werkzaamheden opvangen, zonder dat daarmee de winstgevendheid automatisch verzekerd is.
"Geen enkele nieuwe activiteit vervangt automatisch het wegvallende onderhoudswerk"
Banden bieden kansen, met grenzen
Bandenverkoop, seizoenswissels en bandenopslag behoren tot de activiteiten waarmee Noorse bedrijven hun aanbod verbreden. Ook in de ICDP-simulaties winnen bandenactiviteiten aan belang.
De uitkomsten verschillen daarbij per type bedrijf. In het Noorse scenario daalt de marktwaarde van de activiteiten bij officiële netwerken tussen 2025 en 2035 met 18,6% en bij onafhankelijke herstellers met 4,6%. Werkplaatsketens boeken in dezelfde simulatie 5,6% groei, vooral dankzij hun sterke bandenactiviteiten. Het gaat om modeluitkomsten voor Noorwegen, uitgedrukt in constante prijzen van 2025.
Toch vormen banden geen automatische vervanging voor verloren onderhoudsomzet. De concurrentie is groot en de marges zijn beperkt. Bovendien kan de momenteel hogere bandenslijtage bij elektrische voertuigen volgens ICDP afnemen door technologische ontwikkelingen en aangepast rijgedrag.
Nieuwe diensten moeten renderen
Andere besproken mogelijkheden zijn kleine schadeherstellingen, voertuigverzorging, carrosserieactiviteiten en het verkoopklaar maken van tweedehandswagens. Ook diensten rond batterijconditie en batterijherstelling kunnen het aanbod verbreden.
ICDP temperde daarbij de verwachting dat één nieuwe activiteit het wegvallende onderhoudswerk volledig kan vervangen. Batterijherstelling vraagt voldoende schaal en een georganiseerde aanvoer van opdrachten. Carrosserieactiviteiten vereisen investeringen en beschikbare vakmensen. Ook batterijconditietesten en laaddiensten leveren niet vanzelf voldoende inkomsten op.
De Noorse ervaring wijst daarom op een combinatie van maatregelen: klanten langer behouden, oudere voertuigen en andere merken bedienen, meer opdrachten efficiënt verwerken en nieuwe diensten ontwikkelen. Welke combinatie rendeert, hangt af van het klantenbestand, de beschikbare competenties en de organisatie van iedere werkplaats.