Meer dan helft huishoudens rijdt alleen met verbrandingsmotor
Vooral middeninkomens sterk afhankelijk van benzine- en dieselwagens

Stijgende brandstofprijzen treffen Belgische huishoudens niet allemaal op dezelfde manier. Nieuwe experimentele cijfers van Statbel tonen dat inkomen, gezinssamenstelling en woonplaats sterk samenhangen met het type wagen waarover een huishouden beschikt. Vooral bij middeninkomens blijft de particuliere benzine- of dieselwagen dominant.
54% heeft uitsluitend klassieke privéwagen
Op 1 januari 2024 beschikte 54,1% van de Belgische huishoudens uitsluitend over één of meer particuliere personenwagens met een verbrandingsmotor. Nog eens 9% combineerde minstens één dergelijke wagen met een alternatief, zoals een wagen zonder verbrandingsmotor of een bedrijfswagen.
Daartegenover beschikte 36,8% niet over een particuliere wagen met verbrandingsmotor. 27,5% had helemaal geen wagen, terwijl 9,3% uitsluitend over particuliere auto's zonder verbrandingsmotor en/of bedrijfswagens beschikte.
Statbel maakt daarbij geen onderscheid tussen bedrijfswagens met en zonder verbrandingsmotor. De gebruikte databronnen laten die verdere opsplitsing niet toe.
Middeninkomens sterkst afhankelijk
De grootste afhankelijkheid van particuliere benzine- en dieselwagens is terug te vinden bij de middeninkomens. In inkomensdecielen 5, 6 en 7 beschikt respectievelijk 65,8%, 68,4% en 65,4% uitsluitend over particuliere personenwagens met een verbrandingsmotor.
Bij lagere inkomens is het aandeel huishoudens zonder wagen aanzienlijk groter. In het laagste inkomensdeciel heeft 64% helemaal geen auto. Vanaf de hogere inkomens neemt dan weer het belang van de bedrijfswagen sterk toe. In het hoogste inkomensdeciel beschikt 44,6% over minstens één bedrijfswagen.
Koppels zonder kinderen bovenaan
Ook de gezinssamenstelling maakt een duidelijk verschil. 67,6% van de koppels zonder kinderen rijdt uitsluitend met particuliere wagens met een verbrandingsmotor. Daarmee ligt het aandeel bij dit huishoudtype het hoogst.
Bij koppels met kinderen bedraagt het aandeel 56,5% en bij eenoudergezinnen 56,8%. Tegelijk heeft 30,2% van de eenoudergezinnen helemaal geen wagen, tegenover slechts 10,3% van de koppels met kinderen.
Bij alleenwonenden beschikt 43% uitsluitend over particuliere wagens met een verbrandingsmotor. 49% van de alleenwonenden heeft helemaal geen auto.
Openbaar vervoer maakt verschil
Ook geografisch zijn duidelijke patronen zichtbaar. Gemeenten waar minder dan 60% van de huishoudens uitsluitend over wagens met een verbrandingsmotor beschikt én waar meer dan 95% binnen 500 meter van een halte van het openbaar vervoer woont, liggen vooral in grote stedelijke agglomeraties zoals Brussel, Antwerpen, Gent, Luik, Charleroi en Namen.
Aan de andere kant bevinden gemeenten met zowel een hoog aandeel huishoudens met uitsluitend verbrandingswagens als een beperktere nabijheid van openbaar vervoer zich vooral langs de Franse grens en in de Condroz.
In de provincie Luxemburg ligt het aandeel huishoudens met een verbrandingswagen eveneens relatief hoog, ook op plaatsen met goede geografische toegang tot openbaar vervoer. Statbel wijst daarbij onder meer op het grote aantal grensarbeiders. Buitenlandse bedrijfswagens kunnen niet altijd in de gebruikte databronnen worden geïdentificeerd, waardoor het aandeel particuliere verbrandingswagens er mogelijk wordt overschat.
Bekijk hier de interactieve kaart met het aandeel privéhuishoudens per gemeente naar bezit van verbrandingswagens en nabijheid van openbaar vervoer.
Nabijheid zegt niet alles
Statbel benadrukt dat de afstand tot een halte slechts één maatstaf voor de toegankelijkheid van openbaar vervoer is. Ook de frequentie, het aantal verbindingen en de bereikbaarheid van bestemmingen bepalen in welke mate huishoudens daadwerkelijk zonder wagen kunnen.
De experimentele statistiek omvat vrijwel alle Belgische huishoudens: 99,8% van de huishoudens en 98,8% van de bevolking op 1 januari 2024 zijn in de onderzochte populatie opgenomen.