Aantal salariswagens stabiliseert op 629.156
Mobiliteitsbudget groeit, maar bereikt minder dan 1%
Na bijna twee decennia van groei stabiliseert het aantal salariswagens in België. In het eerste kwartaal van 2026 telde de RSZ er 629.156, slechts 0,2% meer dan een jaar eerder. De FOD Mobiliteit en Vervoer schat dat 24.000 werknemers in 2026 een mobiliteitsbudget gebruiken zonder salariswagen via pijler 1, goed voor 0,57% van alle werknemers. Bedrijfswagens van bedrijfsleiders zijn niet meegeteld.

Groei van wagenpark valt stil
In 2007 telde de RSZ 271.949 salariswagens. Dat aantal steeg tot 626.645 begin 2024, 627.598 begin 2025 en 629.156 begin 2026. Zowel in 2025 als in 2026 bedroeg de groei volgens de FOD ongeveer 0,2%, tegenover gemiddeld 5% per jaar in de voorafgaande zeventien jaar. Het aandeel werknemers met een salariswagen bleef stabiel op 15%.
Het verslag gebruikt bewust de term salariswagen. Het gaat om een wagen die een werkgever aan een werknemer ter beschikking stelt en die ook privé mag worden gebruikt. De RSZ telt deze wagens via de CO2-solidariteitsbijdrage. Bedrijfswagens van bedrijfsleiders vallen buiten de telling omdat hun aantal niet bekend is. Ook dienstwagens die uitsluitend voor beroepsverplaatsingen dienen, zijn uitgesloten.

Mobiliteitsbudget blijft beperkt
In 2025 maakten 22.886 werknemers gebruik van een mobiliteitsbudget. Van hen kozen 21.278 niet voor een salariswagen binnen pijler 1. Voor begin 2026 raamt de FOD het aantal gebruikers zonder die wagen op 24.000. Dat komt overeen met 0,57% van alle werknemers en met 3,7% van de werknemers die een salariswagen en/of een mobiliteitsbudget genieten. Het cijfer voor 2026 is een raming; de 22.886 gebruikers in 2025 zijn een vastgesteld jaartotaal.
Een werknemer kan met het mobiliteitsbudget binnen pijler 1 een milieuvriendelijkere salariswagen financieren. Pijler 2 omvat duurzamere verplaatsingen en, onder voorwaarden, huisvestingskosten. Een resterend bedrag kan via pijler 3 jaarlijks worden uitbetaald, na inhouding van een bijzondere bijdrage van 38,07%. Wie via pijler 1 een salariswagen neemt, is al opgenomen in het aantal salariswagens. Daarom telt de FOD voor het gecombineerde totaal alleen de andere gebruikers van het mobiliteitsbudget afzonderlijk mee.
Volgens de FOD verklaart de groei van het mobiliteitsbudget de stagnatie van de salariswagens niet volledig. Het gecombineerde aantal begunstigden van beide voordelen nam tussen 2024 en 2026 met slechts 2,4% toe.

Grote verschillen tussen werkgevers
Het gebruik verschilt naar ondernemingsgrootte. Bij bedrijven met 500 tot 999 werknemers heeft 6,0% van de werknemers die minstens een van beide voordelen genieten een mobiliteitsbudget. Bij werkgevers met minstens 1.000 werknemers bedraagt dat aandeel 2,9%; bij ondernemingen met één tot vier werknemers 1,1%. Deze percentages slaan dus niet op alle werknemers van die bedrijven.
Ook tussen sectoren zijn de verschillen groot. Eind 2025 beschikte 66,7% van de werknemers in telecom en informatica over een salariswagen, tegenover 54,5% in financiën en verzekeringen. Het mobiliteitsbudget volgt niet dezelfde verdeling: in de sector elektriciteit en gas heeft 18,0% van de begunstigden van minstens een van beide voordelen een mobiliteitsbudget, tegenover 3,6% in financiën en verzekeringen.
De FOD vermoedt dat de administratieve organisatie van een werkgever mee een rol speelt bij de invoering van het mobiliteitsbudget. Op basis van deze cijfers kan de invloed van ondernemingsgrootte echter niet los van die van de sector worden vastgesteld.